|
H
Haanappel, Joan (1940) – Nederlands kampioene kunstrijden van
1955 tot en met
1958, toen haar titel werd overgenomen door Sjoukje Dijkstra. Vertegenwoordigde Nederland in de periode 1953-1960 achtmaal
bij de Europese kampioenschappen (drie bronzen medailles), zesmaal bij de wereldkampioenschappen en tweemaal
bij de Olympische winterspelen. Na haar sportieve carrière trad zij toe tot het gezelschap van
de Wiener Eisrevue. Toen dit gezelschap na zes jaar werd opgeheven, ging zij over naar
Holiday on Ice, waar zij nog eens zes jaar,
nu samen met Sjoukje Dijkstra, haar kunnen toonde. Sinds 1976 is zij actief als tv-verslaggeefster bij alle grote kunstrijderijen.
Haines, Jackson (1840-1875) – Amerikaan, die als grondlegger van
het kunstrijden wordt beschouwd.
Zijn verleden is in nevelen gehuld. Er gaan verhalen over een Engelse
moeder en een Nederlandse vader. Hij zou in 1840 geboren
zijn, een goede opleiding hebben genoten, vroeg getrouwd zijn, twee kinderen hebben gehad, maar dat alles hebben achtergelaten toen hij in 1864 naar Europa vertrok om daar zij n fortuin te zoeken. Via Londen, Parijs en Stockholm kwam hij in Wenen
waar hij in de bloeitijd van de wals en de daarmee samenhangende sfeer
van grandeur een vruchtbare bodem voor zijn optredens vond. Op 16 januari 1868 demonstreerde hij daar zijn kunnen
aan onder andere Keizer Franz Joseph. Hij beschouwde zichzelf als een
balletdanser die een act op schaatsen opvoerde. Daartoe kleedde hij zich in voor die tijd vrouwelijk aandoende pakjes die dan ook veel stof deden opwaaien. Maar waar hij ook optrad, overal maakte hij mensen enthousiast voor het artistieke element van het schaatsen. Hij liet een vorm van acrobatisch
schaatsen zien die was gebaseerd op dansbewegingen en de tonen van bijpassende muziek. In Wenen was men zodanig onder de indruk dat zijn manier van schaatsen in de
Wiener Eislauf-Verein navolging vond en zelfs werd uitgewerkt tot wat later de
Weense school zou gaan heten. Toen hij op 23 juni 1875 op
35-jarige leeftijd in Finland in Gamla Karleby aan longontsteking overleed, was de kiem voor het huidige kunstrijden gelegd .
Halifax-schaats - De eerste ijshockeyschaatsen met een klemsysteem, dus zonder riemen en banden, werden omstreeks 1873 geproduceerd in het Canadese Halifax door de Starr Manufacturing Co., naar een patent dat was verleend aan John Forbes, een van de medewerkers. Deze schaatsen veroorzaakten een revolutie in tweeërlei opzicht. Enerzijds waren de schaatsers nu verlost van het gedoe met riemen en banden die altijd weer oprekten en zelden een bevredigende verbinding tussen schoen en schaats tot stand brachten. Anderzijds was de toon gezet voor een ontwikkeling die brede navolging kreeg. In Europa was het met name Duitsland waar zich rond 1900 een complete schaatsenindustrie rond de verstelbare geheel metalen schaats ontwikkelde.
 |
Halve houten - Schaatsen waarvan het hout de punt of de krul niet bedekt werden vroeger wel halve houten genoemd. Schaatsen met wel geheel beklede ijzers werden ter onderscheiding als
hele houten aangeduid.
Havekotte, Jaap (1912) - Oprichter van de schaatsenfabriek Viking te Almere. Het bedrijf wordt tegenwoordig geleid door zijn zoon Jaap Havekotte jr.
Hele houten - Schaatsen waarvan het gehele ijzer met hout was bekleed werden vroeger wel hele
houten genoemd. Schaatsen met gedeeltelijk beklede ijzers werden ter onderscheiding met
halve houten aangeduid.
Henie, Sonja (1913-1970) – Noors-Amerikaanse kunstrijdster, die al bij haar leven een legende was. Zij won haar eerste wedstrijd toen zij 7 jaar was en deed op haar elfde mee aan de Olympische spelen van 1924. Zij was 14 toen zij wereldkampioen en 15 toen zij Olympisch kampioen werd. Die wereldtitel hield zij tien jaar in handen. Doordat zij zich bij het klimmen der jaren tamelijk jeugdig bleef kleden, bracht zij een revolutie in het vrouwenschaatsen teweeg vanwege de frivoliteit die dat met zich meebracht. Haar plezier in het schaatsen wist ze te vertalen in een veel vrijere vorm van schaatsen dan toen gebruikelijk was. In 1936 beëindigde ze haar amateur-carrière als wedstrijdrijdster.
Als professional bleek zij ook over ondernemerschap en commerciële
talenten te beschikken. Ze creëerde haar eigen Hollywood Ice Revue en
produceerde elf films. In 1948 zette ze daar een punt achter en vanaf
1951 toerde ze door Amerika en Canada en in 1953 stak zij met haar
gezelschap over naar Europa. Ook daar maakte zij furore met een
wervelende ijsshow. In 1954 vormde zij samen Holiday on Ice kortstondig
een nieuw gezelschap onder de naam Heni-Holiday, maar in 1955 stopte zij
definitief met de grote optredens. Zij maakte nog een aantal tv-shows,
maar haar gezondheid liet steeds meer te wensen over. In 1970 overleed zij op 57-jarige leeftijd aan leukemie. Sinds 1941 was zij Amerikaans staatsburger.
Hoekstra, A.K. – Schaatsenfabriek te Warga, Friesland
waar onder verschillende directies van circa 1825 tot 1965 schaatsen zijn
gemaakt. In feite ging het echter om een timmerbedrijf dat voetstapels
maakte en zich de schaatsijzers liet toeleveren. Slechts
gedurende enkele korte periodes heeft het bedrijf over een eigen smederij beschikt.
Niettemin heeft het bijna anderhalve eeuw een toonaangevende rol gespeeld.
De schaatsen van Hoekstra werden vele malen bekroond en vonden hun weg door heel Nederland en daarbuiten. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat het bedrijf lang gezegend is geweest met een
vooruitstrevend denkend commercieel-technisch management. Het
introduceerde rond 1885 zowel de Friese doorlopers als de Wichers-de
Salis-schaatsen. De Nederlandse schoonrijders rijden nog
steeds het liefst op schaatsen van Hoekstra.
Holiday on Ice - Deze befaamde ijsshow is voortgekomen uit de
vele kleine gezelschappen die in de VS in de jaren-30 in theaters en
hotels op kleine ijsvloeren (circa 7 x 10 meter)
ijsrevues verzorgden. Het was de Frederick Brothers Artist's
Corporation die tussen kerst en Nieuwjaar 1943 in Toledo, Ohio een
nieuwe show presenteerde onder de naam 'Holiday on Ice'. Het was echter
Morris Chalfen die in 1945 Holiday on Ice definitief op de kaart zette.
Chalfen was mede-eigenaar van Skating Vanities, een revuegezelschap
met een rolschaatsacts als middelpunt, dat in 1942 was opgericht.
Chalfen kende dus
de theaterwereld en stortte zich vanaf 1945 voluit in
de ijsshowgekte die Sonja Henie met haar bioscoopfilms op gang
had gebracht. Al in 1947 werden de VS te klein en trok het gezelschap de
grens over naar Midden- en Zuid-Amerika. Vanaf 1950 werd ook Europa in
het programma opgenomen. De andere continenten volgden. Er ontstonden
separate, zelfvoorzienende kantoren die separate shows gingen
organiseren. Begin jaren-50 ontstond samenwerking met Sonja Henie, die
in 1951 haar eigen Sonja Henie Ice Revue was begonnen, maar grote
problemen ondervond bij het managen daarvan. Het gevolg was dat er enige
tijd een Henie-Holiday Revue rondreisde. Tegen 1955 was Holiday on Ice
een instituut geworden met een wereldwijde reputatie. Vrijwel alle
wereld- en Olympische kampioenen hebben bij Holiday on Ice onder
contract gestaan. Ook 'onze eigen'
Sjoukje
Dijkstra en Joan Haanappel.
Hollandse schaatsen –
De Hollandse schaats kent twee modellen: de 'gewone' Hollandse schaats
en de Hollandse krulschaats. De gewone Hollandse schaats wordt meestal
aangeduid als 'baanschaats': een schaats om rechtuit mee te rijden. De
krulschaats daarentegen was meer een schaats om wat mee rond te rijden. De gewone Hollandse schaats was een geschikte schaats om
tochten mee te maken en deel te nemen aan hardrijderijen, die destijds uitsluitend plaatsvonden op korte banen van 80-160 meter. Op een enkele uitzondering na zijn alle gewone Hollandse schaatsen voorzien van een doorlopend schaatsijzer. De Friese en de Hollandse
baanschaatsen hebben wel wat van elkaar weg, maar de Hollandse zijn 'geblokter' dan de Friese. De Hollandse krulschaats is
duidelijk een
andere schaats. Het meest kenmerkend is uiteraard de ijzeren krul die
voor de voetstapel uitsteekt en soms hoog oprijst. Opmerkelijk is dat
Hollandse krulschaatsen in tegenstelling tot de gewone Hollandse
schaatsen heel vaak een vioolvormige voetstapel hebben en vrijwel nooit een doorlopend schaatsijzer. De meeste
krulschaatsen munten uit in sierlijkheid.
Klik
hier
voor een overzicht van de verschillende Nederlandse schaatsen.
|
 |
 |
Hooggelegen banen - De lucht wordt ijler naarmate deze zich verder van de aarde bevindt. In ijle lucht wordt minder weerstand ondervonden, maar ijle lucht heeft als nadeel dat er minder zuurstof in zit, waardoor voor de rijder minder energie beschikbaar is. Het voordeel weegt echter zodanig tegen het nadeel op dat er theoretisch circa 10%
tijdwinst kan worden gemaakt. Uit de huidige wereldrecordlijsten blijkt
dat dit inderdaad zo is. Hooggelegen banen als die van Het Canadese Calgary (1000 m) en het Amerikaanse Salt Lake City (1423 m) staan aan de top.
Houten noren –
Al rond 1900 waren geheel metalen schaatsen met vaste schoenen
gemeengoed onder de internationale wedstrijdrijders. Ze waren echter
onbereikbaar duur voor de gemiddelde Nederlander. Om toch aan de vraag
naar schaatsen met langere schaatsijzers tegemoet te komen werd in
Nederland de 'houten noor' ontwikkeld. Hun zondagse naam was
Stheemannschaatsen naar de ontwerper. De houten noor had het model van
de Friese Laagspringer als basis. Deze schaats was in feite een extra
lange Friese doorloper. De laagspringer had al aan de achterzijde 'een
staartje' maar Stheemann verving het lage neusje van de Friese schaats
door een overeenkomstig staartje aan de voorkant. Zo ontstond een lange
lage schaats waarin de smalle ijzers goed werden ondersteund. Dit model
schaatsen kon tegen redelijke prijzen worden geproduceerd en werd in
korte tijd razend populair bij iedereen die tochten wilde rijden.
Dit model schaatsen is in Nederland tot circa 1960 geproduceerd, maar
werd nog lang
daarna aangeboden, zij het dat ze werden gemaakt in Oost-Europa of het
Verre Oosten. Klik
hier
voor
een uitgebreidere toelichting.
|
 |
 |
Houten schaatsen – Met ‘houten schaatsen’ worden schaatsen bedoeld waarvan het schaatsijzer in een houten voetstapel is
gebed. Wanneer de houten schaatsen hun intrede hebben gedaan is onbekend,
maar uit prenten en schilderijen blijkt dat ze er begin 1600 in elk geval
al waren. Een houten schaats bestaat uit drie onderdelen: het
schaatsijzer, de voetstapel en de hakschroef. In de voetstapel bevindt
zich aan de onderzijde een groef, waarin het ijzer wordt geklemd. Het
ijzer wordt aan de voorzijde vastgezet door middel van een aangesmede
haak en aan de achterzijde door middel van een schroef die door een gat
in de voetstapel gedraaid wordt in een aan het ijzer gesmeed oog. Deze
constructie kent enige op zich onbeduidende varianten, maar wordt heden
ten dage nog steeds toegepast. De verschillen tussen houten schaatsen
komen meer naar voren in de dikte, de hoogte en de lengte van het ijzer
en de wijze waarop dit is geslepen alsmede in de vorm van het gedeelte
van de schaats dat voor de neus van de schoen uitsteekt. Er zijn
schaatsen met 'kale' metalen krullen, punten en 'lepels' alsmede
schaatsen waarbij het ijzer in een geheel met hout beklede punt eindigt.
Men duidt de eerste soort aan als 'halve houten' en de tweede als
hele 'hele houten'. Halve houten hebben
doorgaans vrij dikke ijzers, bij de hele houten zijn de ijzers meestal
juist tamelijk dun. Dit gegeven hangt samen met het gebruik van de
schaatsen. Hardrijders willen dunne, lange ijzers en schoonrijders dikke,
korte. Lange, dunne ijzers zijn kwetsbaar en verbuigen gemakkelijk. Om die
reden werden voor hardrijden ontworpen schaatsen over de gehele lengte in
hout gevat. Houten schaatsen worden door middel van riempjes en linten
onder de schoen bevestigd.
De laatste Nederlandse houten schaatsen zijn in 1999 gemaakt
in de sociale werkplaats Finkenburgh in Koudum, die in 1992 de inventaris van
de IJlster schaatsenfabriek Frisia overnam.
Houtjes - In het schaatsjargon werden voetstapels houtjes genoemd. Friese schaatsen
hebben een geheel met hout bekleed schaatsijzer, voornamelijk om het dunne, naar voren
stekende, deel van het ijzer te ondersteunen. In de 19e eeuw noemde men dit hele
houten. Volgens Le Francq van Berkhey (1773) waren de Hollandse schaatsen
aanvankelijk ook hele houten. Maar in de loop van de 17e en 18e eeuw zouden ze
plaats hebben gemaakt voor wat men toen halve houten ging noemen: schaatsen
waarbij de voetstapel onder de neus van de schoen eindigt, maar het
schaatsijzer verder liep en uitmondde in een fraaie krul.
|