|
Zwieren
In Nederland en met name in de westelijke provincies, die we
in lijn met de geschiedenis kunnen samenbrengen onder de noemer
'Holland', ontwikkelde zich in de 18e en 19e
eeuw uit het 'scharrelen' op bevroren plassen, vijvers, vaarten en grachten het zwieren. Bij deze vorm van schaatsen
was snelheid ondergeschikt en omdat het ging om een beheerste beweging
had het ook geen relatie met wat later kunstrijden zou gaan heten. Van
de zwierder werd verwacht dat hij in een regelmatig tempo achter elkaar gebogen streken over het ijs maakte door beurtelings rechts en links op de buitenkant van het schaatsijzer ('buitenover') vooruit te rijden (zie de figuur
hieronder).

Daarvoor moest je een goede schaatser zijn en niet bang uitgevallen,
omdat bij het buitenover rijden het lichaam enigszins naar buiten moet
hellen om de boog te maken. Een goede zwierder kon de bogen eindeloos
aan elkaar breien en zo op zijn gemak een lange poldervaart af
schaatsen. Rond het midden van de 20e eeuw is het zwieren door de
steeds grotere belangstelling voor het hardrijden op de lange baan
echter in vergetelheid geraakt.
Schoonrijden
Voor het zwieren golden geen strakke regels, maar een beheerste
beweging en een zekere bevalligheid werden algemeen gewaardeerd. Door het zwieren te reglementeren, is in het begin van de 20e
eeuw uit het zwieren een wedstrijdsport ontwikkeld: het schoonrijden.
Hierbij komt het eropaan om in een bevallige, maar beheerste, beweging een
baan af te schaatsen. De schoonrijder moet daarbij
de indruk geven dat het hem geen enkele moeite kost, alsof hij zweeft. Hij moet daarvoor met een gestrekt lichaam enigszins
naar buiten hellenen zijn weg gaan zonder enige overbodige beweging. Bruuske
bewegingen, zoals bij het kunstschaatsen, zijn dus absoluut niet
geoorloofd. Tegenwoordig wordt het schoonrijden
beschouwd als een onderdeel van de Nederlandse folklore. Het wordt
beoefend in clubverband en heeft een hoog demonstratiekarakter, mede
vanwege de traditionele kleding van de deelnemers. Het schoonrijden kan
alleen worden gedaan, maar ook als paar of als groep.
Schaatsen voor het zwieren en schoonrijden
Het zwieren was voornamelijk een
Hollands-Brabantse aangelegenheid. Dat past bij het beeld dat van het
traditionele schaatsen in Holland en Friesland bestaat. Immers, de
Friezen hebben altijd de nadruk gelegd op hardrijden. Daarvoor zijn
schaatsen nodig met lange, smalle, rechtgeslepen ijzers. Voor het
zwieren zijn juist schaatsen met korte, brede, rond geslepen ijzers
nodig. De Hollandse krulschaatsen waren daarom bij uitstek
zwierschaatsen. Omdat de krullen gemakkelijk ergens achter konden
blijven haken, met vaak dramatische gevolgen, verdween de krul op den
duur. In het begin van de 20e eeuw ontstonden zo de franjeloze
zwierschaatsen, ook wel zwierbollen genoemd. De tegenwoordige
schoonrijder maakt het liefst gebruik van schaatsen die onwrikbaar aan
de schoen zijn vastgeschroefd. Overigens moeten de
ijzers niet te rond worden geslepen, want te veel ronding leidt tot korte bogen en
onbalans van de rijder.
|
 |