|
Tussen 1650 en 1850
lijkt de ontwikkeling vrijwel te hebben stilgestaan. Over deze periode is weinig bekend, maar de schaatsen die aan het eind van de 19e eeuw in gebruik waren, lijken
toch wel erg veel op die van tweehonderd jaar daarvoor.
In het midden van deze periode, in 1773 om precies te zijn, schreef J. le Francq van Berkhey een boekje dat later vaak is aangehaald door andere auteurs, maar helaas was Le Francq van Berkhey de mening toegedaan dat 'het niet te vreezen staat dat het maaksel van deze vaderlandsche glijschoenen ligt uit het geheugen zal geraken zoo lang de Hollandsche hemel de beurtwisseling van winter en zomer ondergaat en ons gewest door menschen van eenig vernuft en oordeel bewoond wordt'. Hij vond het dus niet nodig om de schaatsen nader te beschrijven, laat staan met afbeeldingen toe te lichten.
Nederlandse schaatsen rond 1850
Pas in 1848 vinden we de eerste bruikbare beschrijving in een boekje dat werd geschreven door een zekere A.v.D. Helaas is onbekend wat de volledige naam van deze auteur was. Het boekje is een 'zekere handleiding om in korten tijd zonder gevaar fraai te leeren schaatsenrijden' en bevat als bijlage een aantal afbeeldingen, waarvan er op deze plaats vier relevant zijn.
Van D. schrijft dat hij meer dan vijftig soorten schaatsen voor zich heeft liggen, maar dat ze allemaal zijn terug te voeren tot de vier uit afbeelding
15. Deze schaatsen zijn door Van D. op schaal getekend en dus onderling goed vergelijkbaar.
Van boven naar beneden benoemt hij ze als volgt:
1 - Hollandse schaats van het Linschoter model;
2 - Friese schaats van het Warringaaster model (bedoeld is Wargaaster, genoemd naar het Friese plaatsje Warga);
3 - Hollandse schaats van het Bergambachtse model;
4 - Engelse schaats.
Uit de tekening en enkele aanvullende opmerkingen van Van D. kan een aantal interessante conclusies worden getrokken:
1. Alle schaatsen, behalve de Friese, hebben een vioolvormige voetstapel.
2. De Linschoter en de Friese schaats hebben relatief lange schaatsijzers, hetgeen kan duiden op gebruik voor het rijden van afstanden.
3. De Bergambachtse en de Engelse schaats hebben een korte, gedrongen vorm, hetgeen kan duiden op het gebruik als zwierschaats.
4. De Engelse schaats heeft het hoogste schaatsijzer, maar ook het schaatsijzer van de Bergambachtse schaats is hoger dan dat van de Linschoter en de Friese schaats.
5. Alle schaatsijzers eindigen midden onder de hak.
Een nieuw Hollands model
Veertig jaar later, in 1888, schreef de eerste secretaris van de in 1882 opgerichte Nederlandse Schaatsenrijders Bond, mr. J. van Buttingha Wichers, een boek met de duidelijke titel 'Schaatsenrijden'. Daarin beschrijft hij het schaatsenrijden door de eeuwen heen. Hoewel hij daar niet expliciet op wijst, blijkt uit de door hem gebruikte illustraties dat tussen 1848 en 1888 een nieuw soort schaats is ontstaan: de doorloper. Hierbij loopt het schaatsijzer onder de hak door en eindigt gelijk met de achterkant van het houten platform. Dit soort schaatsen werd toentertijd alleen door de smeden in en rond de Zuid-Hollandse polders gemaakt. Pas in de laatste decade van de 19e eeuw begonnen ook de Friese smeden doorlopers te maken.

|
 |
|
|
|
|